Willekeurige berichten:
 Making Yourself Attractive: Survey Finds Franchisee Prospects Are Drawn By A Combination Of Expectations And Emotions
  • Voorpagina
  • Activiteiten
  • De kunst volgens …
  • Kennis
  • Links
  • Teamwork
  •  

    Opzeggen van een langdurige overeenkomst

    3 september 2010

    Distributieovereenkomsten voor onbepaalde tijd kunnen in beginsel worden opgezegd, zij het niet altijd zonder grond. Of een opzegging tot beëindiging van de overeenkomst leidt, hangt af van de redelijkheid en billijkheid en de concrete omstandigheden van het geval. In sommige gevallen, zoals bij een langdurige relatie of een sterke omzetafhankelijkheid, kan alleen worden opgezegd als hiervoor een voldoende zwaarwegende grond aanwezig is.

    Van een voldoende zwaarwegende grond kan sprake zijn wanneer het voorbestaan van de partij die opzegt wordt bedreigd als de relatie niet wordt beëindigd. Een opzegging mag in ieder geval geen ongeoorloofd doel hebben, mag niet gebaseerd zijn op onjuiste feiten en dient duidelijk en ondubbelzinnig te worden meegedeeld.

    In de rechtspraak wordt het toetsen van de reden voor opzegging soms achterwege gelaten en wordt enkel gekeken naar de lengte van de opzegtermijn. De juiste duur van deze termijn hangt eveneens af van de redelijkheid en billijkheid in verband met de omstandigheden van het geval. Algemene regels over de lengte van de opzegtermijn zijn moeilijk te geven. Er is sprake van een feitelijke toets. Op basis van rechtspraak kan als globale richtlijn gelden: 3 maanden bij een overeenkomst met een looptijd van 0-2 jaar, 6 maanden bij een overeenkomst van 2-4 jaar, 8-12 maanden bij een overeenkomst van 4-10 jaar en 1-2 jaar bij een overeenkomst die 10 jaar of langer heeft geduurd.

    In een recent arrest van het gerechtshof te Amsterdam wordt de relatief lange opzegtermijn van drie jaren opgelegd. Deze lange opzegtermijn vindt naar mijn idee zijn oorzaak in het feit dat de betrokken distributeur voor 95% van haar inkomsten afhankelijk was van de omzet die voortvloeide uit het contract. Een bijzondere omstandigheid die leidt tot een langere opzegtermijn.


    Een goede contractsformulering is geld waard

    1 september 2010

    Telkens weer verschillen contractspartners over de bedoeling van de tussen hen gemaakte afspraken. Vaak komt het aan op de uitleg van een bepaalde tekst in het contract. Zo ook in een geschil tussen een franchisegever in de personele dienstverlening en haar franchisenemer. De franchisenemer blijkt zijn onderneming niet succesvol te kunnen exploiteren, genereert geen omzet en staakt zijn activiteiten. De franchisegever accepteert de beëindiging, maar verlangt betaling van de entreefee.

    Partijen hadden afgesproken dat de entreefee zou worden verrekend met de te realiseren omzet. Het contract zegt niets over de situatie waarin geen omzet wordt gemaakt. De vraag die partijen nu verdeeld houdt, is of de entreefee verschuldigd is en zo ja wanneer het bedrag verschuldigd is. Nu het contract hierover niets regelt, spelen de eisen van de redelijkheid en billijkheid een rol. De rechtbank vult deze eisen in.

    De franchisenemer stelt verder, dat het entreebedrag in geen verhouding staat tot de geleverde prestaties. Hij verzoekt om wijziging van de fee. Bijzonder is dat de rechtbank dit beroep op onvoorziene omstandigheden honoreert. Opnieuw vanwege de wijze waarop de franchiseovereenkomst geformuleerd is; een formulering die hiaten bevat en deels onduidelijk is.


    Het belang van schriftelijk bewijs

    31 augustus 2010

    Vaak komt het in procedures aan op wat een partij kan bewijzen. Het enkel stellen dat iets waarheid is, is, bij de betwisting daarvan, onvoldoende.

    Bewijs kan op verschillende manieren worden geleverd. Verreweg het eenvoudigst is het schriftelijk bewijs. Zie daar het belang van een schriftelijke overeenkomst.

    Voor de rechtbank in Arnhem loopt een procedure tussen een franchisegever en een franchisenemer over de betaling van bonusgelden. De franchisegever stelt dat hij geen bonus verschuldigd is, omdat de franchisenemer minder dan drie vestigingen heeft. Dat zou een contractuele voorwaarde zijn. De franchisenemer stelt dat die voorwaarden niet is overeengekomen. Partijen verschillen dus van mening over de inhoud van hun afspraken. Deze afspraken liggen vast in een aantal brieven, maar die brieven sluiten niet naadloos op elkaar aan en laten daardoor ruimte voor discussie. De franchisegever is degene die de afspraak zal moeten bewijzen. Bij het ontbreken van een schriftelijk contract is de kans groot dat hij het moet hebben van getuigen. Een vorm van bewijslevering die verre van zeker is.

    Voor de rechtbank in Rotterdam is geprocedeerd over de beeindiging van een franchise- en huurovereenkomst vanwege betalingsachterstanden. Partijen hadden gesproken over een minnelijke oplossing voor de ontstane betalingsproblemen. De gesprekken hadden niet geleid tot een nieuwe schriftelijke overeenkomst. Franchisegever was het wachten zat en beeindigde de relatie. De franchisenemer vond echter dat er een minnelijke regeling was bereikt en daarmee ook een afspraak over voortzetting van de relatie en kwijtschelding van de betalingsachterstanden. De rechter was niet overtuigd bij gebrek aan bewijs. Zie daar opnieuw het belang van een schriftelijk vastgelegde en duidelijke overeenkomst.


    Afgegeven prognoses: “deugdelijk of ondeugdelijk”?

    12 mei 2010

    Dat is de enige relevante vraag.

    Opnieuw een procedure over omzetprognoses en de daarmee bij een franchisenemer gewekte verwachtingen. Deze keer met als onderwerp een keten van dierenspeciaalzaken. Het is het bekende verhaal. De resultaten van de vestiging van de franchisenemer vallen tegen. De franchisenemer wendt zich tot de rechter en stelt dat er sprake is van dwaling. De afgegeven prognoses zouden onjuist zijn, zodat bij het aangaan van de overeenkomst sprake was van een onjuiste voorstelling van zaken. De franchisenemer zou, als hij geweten had hoe die omzet zich daadwerkelijk zou ontwikkelen, de franchiseovereenkomst niet, of in ieder geval niet onder dezelfde voorwaarden, hebben gesloten.

    De rechter herhaalt nog maar eens dat het enkele feit dat een prognose niet uitkomt niet meer is dan een verkeerde voorstelling van zaken over een uitsluitend toekomstige omstandigheid. Immers, een prognose is naar haar aard een uitspraak over het vermoedelijke verloop van nog niet bekende, toekomstige gebeurtenissen. Gelet op de vele onzekerheden die de start van een nieuwe onderneming kenmerken is zeer goed denkbaar dat een prognose die op zichzelf gebaseerd is op juiste uitgangspunten en een deskundig oordeel, toch blijkt af te wijken van de werkelijkheid die zich in de daaropvolgende perioden openbaart.

    Dit is de situatie die zich vaak voordoet. Er is sprake van een in alle opzichten deugdelijk opgestelde prognose, gevolgd door een substantieel daarvan afwijkende realiteit. Een vervelende situatie voor alle betrokkenen, maar het levert geen grond op voor een vernietigingsactie. De teleurgestelde ondernemer zal een dergelijke teleurstelling als deel van zijn ondernemersrisico moeten accepteren. Een onjuiste prognose kan pas grond bieden voor een vernietiging vanwege dwaling als zich bijzondere omstandigheden voordoen. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als de prognoses fouten bevatten waardoor het niet uitkomen van de prognoses het gevolg is van een al ten tijde van het aangaan van de overeenkomst bestaande onjuiste voorstelling van zaken.

    De franchisenemer in deze zaak trachtte deze fouten tevergeefs aan te tonen. Hij gebruikte daarvoor de volgende argumenten:

    • De gegevens uit het ondernemersplan waren overgenomen uit eerdere ondernemersplannen. Een dergelijk kopiëren zou gelet op de aard van de gegevens niet deugdelijk zijn. De rechter oordeelt dat de franchisenemer die zoiets stelt, met voldoende concreet bewijs zal moeten komen. Geen eenvoudige taak.
    • Er was geen onderliggend onderzoek uitgevoerd met betrekking tot de gehanteerde gegevens. De rechter stelt dat de enkele omstandigheid dat gegevens in werkelijkheid niet overeenstemmen met de prognoses nog niet impliceert dat de geprognosticeerde gegevens onjuist zijn. Zeker nu de franchisegever in kwestie kan aantonen dat er wel degelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, heeft de franchisenemer voldoende concreet te onderbouwen dat haar tegenvallende verkopen het gevolg zijn van onjuiste, van de franchisegever afkomstige, uitgangspunten.
    • De gegevens waren enkele jaren oud en er was geen deugdelijk vestigingsonderzoek uitgevoerd. Beide argumenten zijn, aldus de rechter, op zichzelf niet voldoende voor de stelling dat de aan de prognoses ten grondslag liggende uitgangspunten onjuist zijn


    Tekst nieuwe EU-regels voor franchiseovereenkomsten definitief

    6 mei 2010

    Vanaf 1 juni 2010 zijn deze verordening en de bijbehorende richtsnoeren van kracht. Het persbericht van de Europese Commissie zegt:

    “The European Commission has adopted a Regulation block exempting agreements between manufacturers and distributors for the sale of products and services. The Regulation and accompanying Guidelines take into account the development, in the last 10 years, of the Internet as a force for online sales and for cross-border commerce, something that the Commission wants to promote as it increases consumer choice and price competition. The basic principle remains that companies are free to decide how their products are distributed, provided their agreements do not contain price-fixing or other hardcore restrictions, and both manufacturer and distributor do not have more than a 30% market share. Approved distributors are free to sell on the Internet without limitation on quantities, customers’ location and restrictions on prices.”

    Met andere woorden; er zijn geen fundamentele wijzigingen in vergelijking met de vorige verordening. Wel is er een uitbreiding geformuleerd m.b.t. de marktaandeeldrempel van 30%. Deze geldt nu niet alleen voor franchisegevers maar ook voor franchisenemers. Daarnaast is de regelgeving op het gebied van actieve en passieve (via internet) verkoop wat verder uitgebreid en verduidelijkt.

    De nieuwe verordening heeft een looptijd van 12 jaar.


    Bedrijfskleding, loon of niet?

    16 april 2010

    In een onlangs gepubliceerde procedure bij de rechtbank te Haarlem over loonbelasting, werd de vraag voorgelegd of het verstrekken van kleding aan werknemers moet worden gezien als loon. Het ging om een bedrijf dat in de vorm van een franchiseonderneming een restaurant runt en dat kleding aan haar werknemers verstrekt.

    De “regel”
    Vrije verstrekkingen behoren niet tot het loon. Vrije verstrekkingen zijn o.a. verstrekkingen als zij naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden ervaren. De verstrekking van werkkleding kan belastingvrij geschieden als de kleding (i) uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is om tijdens de vervulling van de dienstbetrekking te worden gedragen en (ii) is voorzien van een of meer duidelijk zichtbare, aan de onderneming gebonden beeldmerken met een oppervlakte van tezamen ten minste 70 cm².

    De “uitzondering”
    Ook in geval van uniforme kleding, waarvan sprake is als werknemers gelijke kleding dragen die ook buiten de werkomgeving door derden wordt geassocieerd met een bedrijf, instelling of beroep, kan sprake zijn van vrije verstrekking.

    De rechter
    Het restaurant beroept zich eerst op de regel; haar kleding is alleen geschikt is om tijdens het werk te worden gedragen. De rechtbank is het hier niet mee eens. Het gaat om kledingstukken (broeken, rokken, poloshirts en overhemden) die ook geschikt zijn om buiten werktijd te worden gedragen. Niet van belang is of de kleding in werkelijkheid uitsluitend tijdens werktijd wordt gedragen.

    Het restaurant stelt dan verder, dat de kleding uniforme kleding is omdat het logo van het restaurant duidelijk op de kleding staat en dit één van de bekendste merken ter wereld is. De rechtbank oordeelt als volgt. “Voor de beoordeling of sprake is van uniforme kleding moet worden gekeken naar de gezamenlijke door de werknemer gedragen kledingstukken. De kleding van het bedienend, keuken- en schoonmaakpersoneel onderscheidt zich uitsluitend van voor een ieder verkrijgbare vrijetijdskleding door het erop aangebrachte logo. Hieruit volgt dat alleen door de aanwezigheid van het logo, enige associatie met het bedrijf wordt opgeroepen, hetgeen onvoldoende is om de werkkleding als uniforme kleding aan te merken. Gezien de overgelegde foto’s en de omschrijving van de kleding, zijn de afmetingen van de logo’s gering en ook niet bijzonder opvallend. Het feit dat het een logo betreft van een bekend merk geeft geen aanleiding tot een ander oordeel”. Daarbij speelt een rol dat kleding die zich wat stof en kleurstelling betreft niet of nauwelijks onderscheidt van in gewone winkels verkrijgbare kleding niet gauw als werkkleding wordt aangemerkt.

    Doordat de kwalificatie van werkkleding naar haar aard onzeker is, heeft het restaurant volgens de rechter lichtvaardig gehandeld, waardoor het aan haar grove schuld is te wijten dat te weinig loonbelasting is afgedragen. De omstandigheid dat eiseres niet vrij kon bepalen welk type kleding ze aan haar werknemers verstrekte (omdat er sprake is van een franchiseverband) is niet relevant, omdat zij wel degelijk vrij was in de beslissing de kleding al dan niet als vrije verstrekking in aanmerking te nemen.

    Nu vaststaat dat het niet betalen van de af te dragen loonheffing over de onderhavige tijdvakken te wijten is aan de grove schuld van het restaurant acht de rechtbank een boete van 25% passend en geboden. Be aware!


    Consumentenautoriteit meer bevoegdheden?

    8 april 2010

    De consumentenautoriteit is de toezichthouder op consumentenrecht en eerlijke handel. Zij bevordert de eerlijke handel tussen bedrijven en consumenten, met als uitgangspunt de economische belangen van consumenten.

    Volgens Economische Zaken krijgt de consumentenautoriteit meer munitie om kwaadwillende bedrijven aan te pakken. Het gaat allereerst om een aanwijzingsbevoegdheid. Dat wil zeggen dat de naam van een bedrijf dat zich niet goed gedraagt voortaan openbaar kan worden gemaakt. Bovendien kan de maximale boete van 450.000 euro straks vaker worden uitgedeeld en is er een mogelijkheid om een dwangsom op te leggen.

    Bron; www.Z24.nl


    Minder interesse in franchise?

    23 maart 2010

    Op www.retailactueel.com staat een bericht met de volgende strekking: organisaties die werken volgens het franchisemodel hebben steeds meer moeite om geschikte ondernemers voor hun winkels te vinden, omdat startende ondernemers de voorkeur geven aan bekende en grote namen. Ondernemers zouden kiezen voor de bescherming van een groot moederbedrijf en de voordelen van het werken onder een bekende formulenaam.

    Ik vraag mij af of dit terecht is.

    Het voordeel van een onbekende naam

    Het Hoofdbedrijfschap Detailhandel publiceerde onlangs het trendrapport 2009. Daarin valt te lezen dat kleine winkels de trend zijn voor 2010. De consument is op zoek naar variatie, sfeer en persoonlijk contact. De kleine, vernieuwende winkels bieden dat en zorgen daarmee voor een unieke aankoopbeleving. “Ambachten worden gerestyled, lokale helden stijgen boven het maaiveld uit, aanloopstraten en buurtwinkelcentra winnen aan verzorgingskracht, gemeenten en projectontwikkelaars reserveren ruimte voor identiteit, en kleine webshops zijn groot”. Dit biedt kansen, juist voor de kleinere, onbekendere of startende formules.

    De bescherming van een klein moederbedrijf

    Of een groot moederbedrijf bescherming biedt is allerminst zeker. Waar het om gaat is of een franchiseorganisatie goed in elkaar steekt, zowel organisatorisch als juridisch. Heeft de formule voldoende onderscheidend vermogen? Hoe sterk is de merkpositionering? Hoe luiden de interne en externe afspraken? Groot of klein hoeft hierbij niet het verschil te maken.


    Wat was de bedoeling van partijen?

    17 maart 2010

    In een procedure tussen Prenatal en een franchisenemer stond de vraag centraal hoe (onduidelijk geformuleerde) afspraken tussen een franchisegever en een franchisenemer uitgelegd moeten worden.

    De franchisenemer had aangegeven de franchiseovereenkomst te willen beëindigen en de winkel te laten voortzetten door zijn zoon. Hij meldt dit bij Prenatal, die daarop aangeeft zelf mogelijk interesse te hebben in een overname van de activiteiten. Prenatal en de franchisenemer worden het niet eens over de overname door de zoon en de overnameprijs.

    Partijen maken vervolgens afspraken over de wijze waarop zij rondom de beëindiging en de overname zullen handelen. Deze handelwijze is vastgelegd in een brief met nadere afspraken. Over de uitleg van deze nadere afspraken ontstaat discussie tussen partijen. Prenatal meent te hebben afgesproken dat er eerst een overname som moet worden vastgesteld door een deskundige. Daarna heeft Prenatal een eerste recht van koop. De franchisenemer zegt te hebben afgesproken dat zijn zoon wordt toegelaten tot het selectietraject. Pas als dat onverhoopt tot niets leidt, dan is er sprake van het benoemen van een deskundige.

    De nadere afspraken moeten door het gerechtshof worden uitgelegd. Dit gebeurd tegen de achtergrond van de franchiseovereenkomst en de daarin opgenomen bepalingen over overdracht van rechten. Bij deze uitleg komt het (zoals te doen gebruikelijk in contractuele relaties) niet alleen aan op de taalkundige uitleg van de gekozen bewoordingen, maar ook op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en op wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij wordt rekening gehouden met alle omstandigheden van het geval.

    In dit geval wordt bij de uitleg van de nadere afspraken vooral gekeken naar de tekst van de franchiseovereenkomst en de briefwisseling tussen partijen voorafgaand aan de nadere afspraken.

    De les die wij hieruit leren:

    (i) als afspraken worden vastgelegd, dan moeten deze zo worden vastgelegd dat zij niet voor tweeërlei uitleg vatbaar zijn; 

    (ii) mocht er toch een interpretatieverschil bestaan, dan worden de afspraken uitgelegd in het licht van alle omstandigheden. De voorfase en de vastlegging daarvan is evenzeer van belang.


    Huismerk in de bouwmarkt

    17 maart 2010

    In de bouwmarktsector woedt een prijzenoorlog. De doe-het-zelf-zaken van Nederland zetten fors in op de prijzen om de omzetdaling van de afgelopen jaren te compenseren. Een gemiddelde bouwmarktondernemer zag de omzet afgelopen twee jaar met 15% dalen. Ook in de bouwmarktsector maakt men gebruik van de trend dat er steeds meer artikelen onder eigen merknaam in de winkels liggen.

    Bron: Retail Actueel en FD